Ervaringsverhalen |
||
|
Alle genoemde namen zijn verzonnen |
||
|
Brigit: “Ik kon mijn zoon Joost direct na zijn geboorte al niet vasthouden. Normale baby’s worden stil als je ze vastpakt, maar Joost reageerde spastisch en krijste gewoon door. Ik kon hem ook niet probleemloos borstvoeding geven. Hij wilde niet op de arm, het lukte me alleen als ik hem naast me op bed legde. Dan dronk hij of zijn leven ervan afhing. Altijd had je een geluiddemper nodig. Ik weet nog dat ik hem uit het ziekenhuis terugkreeg met een speen in zijn mondje vastgetaped. Hij was gewoon niet stil te krijgen.” Ruth: “Achteraf gezegd, merkte ik eigenlijk tijdens de zwangerschap al dat Frank anders was dan anderen. Zó beweeglijk als hij was, dat had ik met mijn dochter nooit meegemaakt. Nachtenlang kon ik niet slapen omdat hij zich om en om wentelde. Ik ben twee weken bezig geweest met bevallen, het leek wel of hij niet op de wereld wilde komen. Frank was toen hij pas geboren was, net een oud kereltje dat al een heel zwaar leven achter de rug had. Hij lachte nooit en had een heel volwassen uitdrukking op zijn gezicht. Hij sliep hooguit zes uur per dag en de rest van de dag brulde hij letterlijk alles bij elkaar. Je kon het geen echt huilen noemen, er waren nooit tranen.” |
||
|
Robin: “Mijn dochter Ellen begon pas te praten toen ze drie jaar oud was en werd pas zindelijk toen ze naar de kleuterschool ging. Tot die tijd lag ze graag en vooral lang in haar bedje met een luier om en een speen in haar mond, alsof ze haar babytijd wilde vasthouden. Ze was een allemansvriendje, ging bij iedereen direct op schoot zitten, ook bij mensen die ze nog nooit gezien had. Ze was heel bang voor van alles en nog wat: voor harde geluiden, grote vrachtwagens en dieren. Bovendien was ze overal vies van. Zand, klei en lijm durfde ze niet aan te raken, iets waar een normaal kind geen genoeg van kan krijgen. Ze reageerde ook extreem op ‘bloot’. Als een bloesje van iemand wat te open stond naar haar zin, maakte ze met een vies gezicht eigenhandig een knoopje extra dicht. Daarentegen deinsde ze er niet voor terug om, met een onnatuurlijke glimlach op haar gezicht, spullen van anderen kapot te maken of te bekladden. Straf hielp niet: ze ging vrolijk liedjes zitten zingen in haar slaapkamer.” Brigit: “Je stopt er heel veel liefde en aandacht in, maar het kind blijft jou geestelijk en lichamelijk afwijzen.” |
||
|
Ruth: “Ik kreeg geen contact met Frank. Ik mocht hem bijna niet aanraken. De enige die af en toe een knuffel van hem kreeg, was onze herdershond. Zijn oudere zus gebruikte hij om contacten te leggen. Het leek wel of zij de enige wezens waren die hij kon vertrouwen. De kleuterschoolperiode was typerend voor de rest van zijn schoolloopbaan: hij deed niet mee, maar stoorde ook niet. Pas nu begrijp ik dat hij zich toen, hoe jong ook, al afvroeg wat het nut ervan was. Wat was het nut van torens bouwen en kleuren tussen de lijntjes? Voor hem geen enkel en hij deed het dus ook niet”. Robin: “Ellen zat op school voornamelijk bij de juf op schoot. Ik vond dit zeer ongezond, maar de juf zag het niet in. Ellen was zo’n lief aanhankelijk kind….. Ik heb haar van die school afgehaald en een andere school gezocht waar men gezonder met haar omsprong. De problemen thuis werden echter steeds groter. Ze treiterde, speelde de gezinsleden tegen elkaar uit en verpestte alle leuke momenten. Ze haalde altijd wel iets van stal, waardoor iedereen haar in het vizier kreeg. De buitenwereld zag niets. Meestal gedroeg zij zich bij anderen voorbeeldig!” |
||
|
Brigit: “De buitenwereld merkte meestal niets aan Joost omdat hij heel goed mooi weer kan spelen. Wij kregen een keer een dame thuis voor de zogenaamde ‘video-hometraining’ van de RIAGG. Zij wilde kijken hoe wij tijdens het eten met ons kind omgingen. Nou, Joost gedroeg zich werkelijk voorbeeldig. Als ik om de appelmoes vroeg, zei hij:”alsjeblieft mam”, terwijl ik anders de pot naar mijn hoofd zou krijgen. Joost weet precies hoe hij zijn omgeving moet bespelen. Zo van “ik wil graag een Dinky Toy, maar mijn moeder wil hem niet voor mij kopen”, en dan zo’n heel verongelijkt gezichtje erbij trekken, zodat een ander hem er vanzelf een toestopt. Hij lijkt ook een soort radar te hebben die hem ingeeft aan wie hij zijn wensen kenbaar moet maken. Toen wij in Italië aan het Gardameer een speedboot zagen, zei mijn man: “Drie keer raden wie daar het eerst inzit?!” En ja hoor, nog geen vijf minuten later schoot meneer samen met de eigenaar van de boot over het water. Maar hij gebruikt anderen alleen om te krijgen wat hij hebben wil. Wat te eigen wordt, stoot hij weer af. Joost heeft dan ook geen echte vrienden.” |
||
|
Ruth: “Op de lagere school merkten we dat Frank een vorm van hoogbegaafdheid bezat. Hij las binnen zes weken. Ook in andere dingen was hij razendsnel. Het gevolg was dat hij in zijn eigen fantasie wereldje kon duiken. Hij had maar één vriendje en speelde nooit met andere kinderen. Maar er waren meer dingen die ik vreemd vond. Zo klaagde hij nooit over pijn, zelfs niet als hij gevallen was. Hij voelde niet of het koud of warm was en liep hartje winter gerust met alleen een T-shirtje aan naar buiten. Nog steeds moest hij er niets van hebben dat andere mensen hem aanraakten. De schooldokter mocht alleen naar hem kijken. Frank deed alles wat hij zei, maar hij bevoelde zijn lichaam zelf op aanwijzingen van de dokter. Huilen deed hij nooit en kinderlijk blij of uitbundig zijn ook niet. Het aantal zoenen dat hij me heeft gegeven is op één hand te tellen. Toen zijn vader stierf, merkte je uiterlijk ook niets aan hem. Er is één uitzondering geweest. Zijn hamster, een onschuldig beestje, waar hij verantwoordelijk voor was, ging dood. Alsof al het verdriet uit zijn kinderjaren er in één keer uit moest, zo heeft hij toen gehuild.” |
||
|
Robin: “De situatie thuis werd onhoudbaar. Ik heb uiteindelijk hulp gezocht. Zoiets doe je niet zomaar. Het kost je heel veel innerlijke strijd. Je hebt een gevoel alsof je je kind verraadt. Ellen werd, na een paar gesprekken, opgenomen op een psychiatrische afdeling van een kinderziekenhuis en werd daar geobserveerd. Zij reageerde hier stoïcijns op, alsof ze een paar nachtjes uit logeren ging, terwijl ik van binnen stuk ging, toen ik haar daar achter moest laten. Binnen een week presteerde ze het om de groep daar “op te blazen”!! Men begon haar daar zeer sterk te beperken in haar eindeloze manier van aandacht vragen. De conclusie van de psychiater was uiteindelijk verpletterend. ‘Op zijn Hollands gezegd: een hopeloos geval, meneer, niets meer aan te doen. Ellen heeft geen ‘bodem’. Geen basisvertrouwen. Alles wat je erin stopt, valt er aan de onderkant weer ongebruikt uit. Behandeling is niet mogelijk, grof gezegd: zonde van het geld omdat er geen resultaat uit behaald zal worden’.” Ruth: “Je probeert je kind groot te brengen, ‘zoals het hoort’,maar juist met dat ‘zoals het hoort’ had Frank niets te maken. Niet omdat hij niet wilde, hij kon gewoon niet anders…… ……………… |
||